header afbeelding

Koopkracht en nieuw pensioenstelsel

De belangrijkste reden waarom wij als BPP de overgang naar een vernieuwd pensioenstelsel accepteren is de verbetering van de koopkrachtbescherming die daaruit moet resulteren.

Dat betekent op de eerste plaats dat na de invoering van het vernieuwde stelsel de aanpassing van de uitkeringen tot betere resultaten moeten gaan leiden dan nu het geval is.

Maar alvorens daartoe over te gaan dienen eerst de bestaande aanspraken te worden omgezet in een persoonlijk aandeel in het vermogen van het fonds, dat zo groot is dat een belangrijke compensatie voor de achterblijvende indexatie in het recente verleden.

Op basis van die uitgangspunten zijn al heel veel berekeningen gemaakt bij de voorbereiding van de wetgeving die de volgende conclusies rechtvaardigen:

1. Er zal na invoering vaker een aanpassing van de uitkeringen kunnen plaats hebben. Die aanpassingen zullen vaker in positieve zin zijn, maar ook kortingen kunnen eerder dan in het oude systeem aan de orde komen.

2. Er zijn goede afspraken mogelijk op fondsniveau om tot een dusdanige spreiding van de resultaten te komen dat grote schokken zich niet hoeven voor te doen.

3. Dit alles leidt ertoe dat in vergelijking met het huidige stelsel de resultaten positief zullen zijn en beter aansluiten bij de werkelijke economische ontwikkelingen

Conclusie

Het uiteindelijke oordeel van de BPP zal afhangen van de verbeteringen die in de wet nog moeten worden bereikt, alsmede van de wijze waarop bij PFZW de daadwerkelijke invulling op pensioenfondsniveau zal plaats hebben.

1. De indexatiemogelijkheden in de komende jaren dienen in de bestaande regelgeving meer ruimte te bieden dan thans door de overheid is voorgenomen.

2. De omzetting van de opgebouwde aanspraken in de huidige regeling dient zo te worden ingevuld dat sprake is van evenwichtigheid en dus ook recht wordt gedaan aan herstel van fouten in het oude stelsel.