Een rechtvaardige en stabiele rekenrente

In het huidige pensioenstelsel kennen we twee verschillende rekenrentes. Voor de berekening van de verplichtingen moet worden uitgegaan van de risicoloze rente op staatsobligaties. Voor de berekening van de premie mag worden uitgegaan van een prudent rendement op basis van vastgelegde parameters gebaseerd op de beleggingen van het fonds.

Alleen al het gegeven dat er een verschil kan zijn tussen deze beide rekenrentes leidt tot onevenwichtigheden. Daarvan is in het basis pensioenakkoord afgesproken dat straks een rekenrente zal gelden voor zowel de berekening van de premie als voor de verplichtingen. De wijze waarop nu de premie moet worden berekend zou daarbij ook moeten gaan gelden voor de berekening van de verplichtingen vindt de BPP.

In datzelfde basisakkoord staat echter ook het uitgangspunt dat in de toekomst voor beide moet worden uitgegaan van de risicoloze rente. Dit staat op gespannen voet met de uitgangspunten die ook zijn vastgesteld voor de te realiseren uitkomsten. De BPP gaat er van uit dat in verdere onderhandelingen hiervoor een oplossing wordt gevonden en de huidige methodiek voor de premieberekening ook zal gaan gelden voor de berekening van de verplichtingen. Anders wordt er maar weinig opgelost en lijkt de uitkomst niet acceptabel.

Het opheffen van de verplichte buffervorming in het vermogen, dat eveneens is afgesproken, geeft weliswaar een iets beter verwacht pensioenresultaat, omdat eerder dan nu geïndexeerd zal mogen worden, maar dat alleen is onvoldoende. Twee belangrijke uitgangspunten dienen bij de te kiezen rekenrente te worden gehonoreerd.

1. De rekenrente moet recht doen aan de reëel te verwachten rendementen

2. De te hanteren rekenrente dient een stabiel karakter te hebben.