Buffervorming en pensioenfondsen

In de huidige regelgeving moeten pensioenfondsen boven het niveau van 100% dekkingsgraad een extra buffer vormen waarvan de hoogte afhankelijk is van het beleggingsbeleid van het fonds. Die buffer kan oplopen tot ruim 25% en pas vanaf dat niveau mag volledig worden ge├»ndexeerd. Een beperkte mate van indexatie mag pas worden gegeven bij een dekkingsgraad vanaf 110%. Die buffers dienen om schokken die  in de beleggingsportefeuille  kunnen optreden  op te vangen. In de praktijk leidt dit er echter toe dat ook in economisch goede tijden het heel lang kan duren voordat indexatie kan worden uitgekeerd. Naar onze opvatting kun je beter met een systeem werken waarbij de ruimte die er is boven een dekkingsgraad van 100% voor indexatie kan worden ingezet, terwijl daar dan wel tegenover moet staan dat bij een dekkingsgraad beneden de 100% sneller ook moet worden gekort. In de besprekingen die nu zijn vastgelopen was daarvoor een goede oplossing bedacht waarbij zowel de indexatie als de eventuele kortingen geleidelijk zouden worden verwerkt door de ruimte rondom de 100% over een bepaalde periode gespreid uit te keren. De gekozen termijn van maximaal 10 jaren voor die spreiding vinden wij echter te ruim. Een periode van maximaal 5 jaren, gecombineerd met een discretionaire bevoegdheid van het pensioenfondsbestuur lijkt ons meer voor de hand te liggen. Dit vooral omdat het anders wel erg complex wordt en voor de deelnemers nauwelijks te volgen. Een te lange periode leidt immers ook tot een indexatie of korting , of nog ingewikkelder het saldo van beide, die geen directe relatie meer zal hebben met de inflatie van dat moment.