header afbeelding

Standpunt BPP

Transitie

Wetsontwerp Toekomst Pensioenen

Standpunt BPP

Waarom nog geen juridische procedure?

Wij zullen ons tot het uiterste  blijven inzetten om via overleg tot en voor ons aanvaardbaar resultaat te komen. Gelet op de ervaringen tot nu toe, kunnen we echter niet zeker zijn van een voor ons aanvaardbare uitkomst. Dat geldt zowel voor de inhoud van de wetgeving, alsook voor de latere invulling op het niveau van het pensioenfonds.

Daarom bereiden wij ons nu al terdege voor op een mogelijke  juridische procedure . 

Wij gaan er vanuit dat gelet op de kracht en billijkheid van onze argumentatie een goede uitkomst kan worden bereikt. Ook andere partijen beseffen immers dat een stelselwijziging die niet de instemming kan krijgen van de gepensioneerdenorganisaties onvoldoende draagvlak zal  hebben

Welke ijkpunten hanteert de BPP?

De voornaamste uitgangspunten die de BPP hanteert bij de beoordeling van een pensioenakkoord zijn:

1. Zijn er voldoende waarborgen dat de overgang naar het nieuwe stelsel ook voor gepensioneerden rechtvaardig zal uitpakken.
2. Zal het nieuwe stelsel minder rentegevoelig zijn en voortdurende overdrachten van vermogen tussen generaties voorkomen.
3. Zijn de rekenregels voor het nieuwe systeem helder en in de wet verankerd, met enige ruimte voor de pensioenfondsen voor de uitwerking.
4. Zal het toezichtkader (zowel richting DNB als AFM) zo zijn ingericht dat niet getornd kan worden aan de wettelijke uitgangspunten.
5. Is er een duidelijke taakafbakening tussen sociale partners (nieuwe opbouw en premie) en de pensioenfondsen (herverdeling).
6. Wordt de invloed van actieven en gepensioneerden in de governance zodanig verbeterd dat recht wordt gedaan aan het risico dat zij lopen.

En de beoordeling van het thans voorliggende wetsontwerp pakt wat deze uitgangspunten betreft nog allesbehalve positief uit. 

Wat is een rechtvaardige en stabiele rekenrente?

In het voorgestelde nieuwe stelsel is de problematiek van de huidige rekenrente grotendeels opgelost. 

Zowel voor de overgangsperiode als  bij de transitie wordt in  het wetsontwerp echter nog steeds uitgegaan dat de risicoloze rente de basis van de berekeningen moet zijn. 

Voor zowel de overgangsperiode als voor de transitie moet wat ons betreft worden aangesloten bij een rekenrente die meer stabiel is. Anders is gelet op de grote mate va instabiliteit het onvoorspelbaar wat er echt gebeurt op de transitiedatum. Wellicht dat het prudent verwachte rendement dat  ook wordt gehanteerd  als basis voor de premieberekening daarvoor geëigend is. 

Daarmee wordt de verdere daling van de dekkingsgraad als gevolg van nieuwe opbouw gedurende de overgangsperiode in ieder geval voorkomen. 

Wij denken  echter dat ook dan de compensatie voor het verlies aan koopkracht, dat uitsluitend door gepensioneerden daadwerkelijk wordt ervaren, onvoldoende is. Daarom komen wij met aanvullende voorstellen als dat nodig blijkt.



Is handhaving van het huidige stelsel mogelijk?

Handhaving van het huidige stelsel is in ieder geval niet wenselijk.

Redenen daarvoor zijn zowel de inschatting dat ook in de komende jaren indexatie dan nagenoeg onmogelijk zal zijn,
de premie onaanvaardbaar hoog zou worden en
geen recht wordt gedaan aan de situatie op de sterk veranderde arbeidsmarkt.

Niet allemaal zaken die ons als gepensioneerden rechtstreeks raken, maar voor het draagvlak van onze pensioenfondsen onder alle werknemers wel van groot belang zijn.

Vaak wordt de opmerking gehoord van pas de rekenrente maar aan en doe verder niets. Dat lijkt wellicht voor de indexatie op korte termijn een oplossing te bieden, maar het verzet daartegen vanuit politiek en toezichthouders is groot en maakt het niet haalbaar. Nog los van het begrijpelijke verzet van veel jongere deelnemers tegen een dergelijke marginale en voor hen negatieve aanpassing.

Achtergrond doorsneepremie

In de tweede helft van de vorige eeuw is op grote schaal het huidige pensioenstelsel ingevoerd. Uitgangspunt daarbij was vaak, dat mensen gedurende hun gehele loopbaan veelal binnen een onderneming of bedrijfstak doorbrachten. Bovendien wenste men een aantal maatregelen om ouderen, die tot dat moment geen of nagenoeg geen pensioen hadden opgebouwd versneld aan enige opbouw te helpen.

Door af te spreken, dat iedere deelnemer (jong en oud) dezelfde premie betaalde, maar bovendien jaarlijks ook dezelfde extra opbouw kreeg, werd dit bereikt. Actuarieel gezien betaalden jongeren daarmee te veel premie ten opzichte van de opbouw die men jaarlijks kreeg en ouderen precies anders om. Zij kregen een relatief hoge opbouw ten opzichte van de voor hen geldende premie.

Doordat echter de arbeidsmarkt steeds meer flexibel werd en een opbouw van 40 jaren in een en dezelfde pensioenregeling eerder uitzondering dan regel werd, kwam dit systeem dat in de regel wordt aangeduid als de doorsneesystematiek echter onder druk te staan. Dit werd bovendien nog versterkt doordat in toenemende mate er individuele pensioenregelingen kwamen waarbij de premie en daarmee de opbouw wel degelijk leeftijdsafhankelijk werden.

Het is dan ook op zich begrijpelijk dat met name de overheid dit systeem wil aanpassen en toe wil naar een systeem waarbij weliswaar voor iedereen een gelijke premie moet worden betaald binnen de afgesproken regeling, maar de opbouw dus feitelijk leeftijdsafhankelijk wordt. Een Euro die immers door een 20-jarige wordt ingelegd rendeert langer dan diezelfde Euro die voor een 60-jarige wordt betaald.

De hamvraag doet zich echter voor wie de daarmee samenhangende overgangskosten zal moeten betalen. En die overgangskosten zijn niet gering alhoewel ze bij de huidige lage rente lijken mee te vallen. Reeds gepensioneerden hebben zowel jaren gekend waarbij ze in het huidige systeem teveel als ook te weinig hebben betaald. Dit betekent, dat zij principieel niet zouden hoeven bij te dragen aan de financiering van de overgangskosten. Enige bijdrage in het belang van een goed totaalakkoord is echter wellicht acceptabel.

Wat vindt de BPP van de wetsvoorstellen?


Onderdeel van de wetsontwerpen is een aangepast beleid dat de pensioenfondsen kunnen toepassen gedurende de overgangstermijn tot 2026. Dit onderdeel van het wetsontwerp is voor ons niet aanvaardbaar en moet goedschiks (via overleg) of kwaadschiks (via acties en/of de rechter) worden verbeterd.  

De structurele voorstellen voor het nieuwe stelsel lijken in hoofdlijnen aanvaardbaar, mist de feitelijke transitie van oud naar nieuw op een meer aanvaardbare wijze dan thans wordt voorgesteld kan worden geregeld. En natuurlijk onder het voorbehoud dat de invulling in detail door de pensioenfondsen evenwichtig zal blijken te zijn.

Waarom verwijzen anderen het wetsontwerp naar de prullenbak?

Er zijn nog steeds groeperingen die denken dat aanpassing van de rekenrente alles oplost. En voor wat betreft de indexatie op korte termijn zou dit het geval kunnen zijn. Maar de bereidheid tot een dergelijke eenzijdige stap, en voor het overige alles bij het oude laten, ontbreekt al jaren.

Er zijn immers andere wensen van sociale partners om het stelsel meer toekomstgericht te maken en beter te doen aansluiten bij de moderne arbeidsmarkt.

In die zin is het wetsontwerp een totaal pakket waarbij voor de periode na de transitie de rekenrente nagenoeg verdwijnt. Bij de transitie zelf en in de transitieperiode speelt de huidige rekenrente echter nog wel een  rol in de voorstellen die daarom op dat punt moeten worden aangepast naar onze opvatting.


Wat is het voorlopige oordeel van de BPP?

Het ontwerp van het nieuwe pensioenstelsel spreekt ons aan omdat als gevolg van de voorgestelde wijzigingen, de rekenrente na invoering komt de vervallen, buffervorming nauwelijks meer hoeft plats te hebben en daarmee de uitkeringen sneller kunnen worden aangepast zowel bij goede beleggingsresultaten als ook ingeval van tegenslagen. Daarbij kan om schokken te voorkomen spreiding van die effecten in de tijd worden overeengekomen.

Naast het behoud van solidariteit (delen van langleven risico e.d.) is het handhaven van collectiviteit ( een gemeenschappelijk beleggingsbeleid en invaren van de oude aanspraken in het nieuwe stelsel) voor ons van groot belang.

Wat dit moet betekenen voor de overgangsfase van 2022 - 2026 en voor de daadwerkelijke transitie van oud naar nieuw is helaas nog minder duidelijk en zal nu als eerste moeten worden ingevuld. 

Wat betekent afschaffen doorsneepremie?


Een van de onderdelen van het wetsontwerp houdt in dat de doorsnee premie die nu is voorgeschreven straks verboden is. Nu betalen jongeren eigenlijk teveel en ouderen te weinig premie, maar over de gehele opbouwperiode maakt dat niets uit. Bij afschaffing van die systematiek betekent dit dat feitelijk voor iedereen tussen de 45 - 65 jaar een pensioentekort zou ontstaan. Zij hebben immers wel in de periode dat zij jong waren te veel premie betaald, maar krijgen dat dan in de toekomst niet meer gecompenseerd. Dat tekort moet in de komende jaren dus worden gefinancierd zo is in het pensioenakkoord afgesproken. Wie dat gaat betalen is punt van invulling door sociale partners en pensioenfondsbestuur. Het zou onredelijk zijn volgens de BPP als dit ook door de reeds gepensioneerden mede moet worden betaald. Zij hebben immers over de hele periode van opbouw de juiste premie betaald. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de afspraken zal dit dan ook een belangrijk punt zijn.