Logo PFZW belangenvereniging

Veel gestelde vragen

Klik links op een van de onderwerpen waar u meer over wilt lezen.

Vragen pensioenakkoord

Flexibel pensioen

Hoogte uitkering

Pensioen & relatie

Pensioen & nabestaanden

Meer

Vragen pensioenakkoord

wat is de status van het pensioenakkoord

Nu een meerderheid van sociale partners hebben ingestemd met de uitwerking op hoofdlijnen van het pensioenakkoord zal de verdere gang van zaken als volgt zijn:
1. na een eerste debat in de Tweede Kamer (14 juli v.a. 15.00 uur) volgt het traject van de wetgeving tot eind 2021.
2. Daarna volgt een uitwerking van het akkoord door de pensioenfondsen binnen de kaders van wat dan de wet zal zijn.
3. Als eerste fase zal een transitieplan worden opgesteld hoe tussen 2022 en uiterlijk 2026  waarin ook het beleid van het fonds gedurende die overgangsfase moet worden vastgelegd.

Een belangrijke voorwaarde voor de BPP en alle overige gepensioneerdenorganisaties is dat wij als volwaardige partij betrokken worden bij de uitvoering van dit geheel. Deze claim is bij alle betrokken partijen en in het bijzonder bij de minister neergelegd en zal hopelijk spoedig worden ingewilligd.

Wat is het voorlopige oordeel van de BPP

Het ontwerp van het nieuwe pensioenstelsel spreekt ons aan omdat als gevolg van de voorgestelde wijzigingen, de rekenrente na invoering komt de vervallen, buffervorming nauwelijks meer hoeft plats te hebben en daarmee de uitkeringen sneller kunnen worden aangepast zowel bij goede beleggingsresultaten als ook ingeval van tegenslagen. Daarbij kan om schokken te voorkomen spreiding van die effecten in de tijd worden overeengekomen.

Naast het behoud van solidariteit (delen van langleven risico e.d.) is het handhaven van collectiviteit ( een gemeenschappelijk beleggingsbeleid en invaren van de oude aanspraken in het nieuwe stelsel) voor ons van groot belang.

Wat dit moet betekenen voor de overgangsfase van 2022 - 2026 en voor de daadwerkelijke transitie van oud naar nieuw is helaas nog minder duidelijk en zal nu als eerste moeten worden ingevuld. Daarover bij de volgende vragen meer.

Wat zijn de uitgangspunten van de BPP voor de overgang

Feitelijk gaat het bij de beantwoording van deze vraag over twee belangrijke zaken.

1. Nu het nieuwe stelsel pas over enkele jaren kan worden geƫffectueerd moet er tussen 2022 en 2026 een beleid worden ingevuld waarbij ook tijdens die fase de huidige rekenregels buiten spel worden gezet. De in de toekomst te hanteren uitgangspunten voor aanpassing van de uitkeringen dienen ook tijdens die overgangsfase te kunnen worden gehanteerd.
2. Gestreefd moet worden naar een dekkingsgraad van 100%, net voor het moment van definitieve overgang, maar dan berekend met de rekenrente van de transitie zelf met een minimum van bijvoorbeeld 2,5%.

Omdat op die wijze, zonder indexatie gedurende die periode  een dekkingsgraad van ruim boven de 100% waarschijnlijk is kan de ruimte boven de 100% gedurende de overgangsfase geleidelijk gebruikt worden om indexatie ook dan al mogelijk te maken.

Waarom moet overgangstermijn zo lang duren?

Voor het wetgevingstraject is 1,5 jaar voorzien, hetgeen gelet op de complexiteit bepaald niet veel is.
Dan hebben sociale partners en pensioenfondsen gezamenlijk zeker een jaar nodig om concrete afspraken te maken over zowel de inhoud van de regeling als de condities op basis waarvan de aanspraken uit het verleden worden omgezet naar een persoonlijk aandeel in het pensioenvermogen.
Pas daarna, nadat ook de toezichthouder akkoord zal zijn gegaan, moet het geheel in de ICT systemen van de pensioenuitvoerders worden verwerkt.

De vraag of sectoren die sneller kunnen wellicht eerder dan in 2026 kunnen overstappen op het nieuwe stelsel moet nog beantwoord worden. Wij dringen wel op bespoediging aan, maar met behoud van zorgvuldigheid die nu eenmaal vereist is.

Wat wordt landelijk geregeld en welke beleidsruimte hebben de pensioenfondsen?

Landelijk in de wetgeving zullen vooral de kaders worden geformuleerd waarbinnen tot invulling per fonds moet worden gekomen.

Per fonds zal vervolgens een transitieplan worden opgesteld waarbij duidelijkheid gaat komen op welke concrete wijze de omzetting van de bestaande aanspraken naar een persoonlijk aandeel gaat plaats hebben. Dit moet per fonds worden geregeld omdat de dekkingsgraad van het fonds, de leeftijdssamenstelling van het fonds en  de omvang van een indexatie achterstand verschillend zijn. In dat plan zal ook, eveneens binnen de kaders van de wetgeving, worden bepaald welke mogelijkheden er zijn om gedurende de overgangsfase kortingen te voorkomen en indexatie mogelijk te maken.

Aandachtspunt bij dit alles is dat tijdens dit hele proces ook de gepensioneerden organisaties op een volwaardige wijze bij dit overleg betrokken worden. Een eis van onze kant die op dit moment nog niet is ingewilligd. Zie daarover ook onze afzonderlijke publicatie.