Rekenrente een voortdurende discussie

Een pensioenfonds moet zowel voor een juiste vaststelling van de premie als voor het berekenen van de waarde van de verplichtingen een rekenmaatstaf hanteren die is voorgeschreven in het zogenaamde Financieel toetsingskader (FTK) .

Voor de berekening van de contante waarde van de pensioenverplichtingen is het pensioenfonds nu conform het FTK verplicht de risico vrije rente te hanteren.
Voor de berekening van de premie mag het fonds met die zelfde rente rekenen maar het fonds mag daarvoor ook een verwacht prudent rendement als uitgangspunt nemen.

Dat verschil in uitgangspunt is heel vervelend. Het leidt er toe dat wanneer de gehanteerde rekenmaatstaf in de premie hoger is dan die in de pensioenverplichtingen, een deel van die nieuwe opbouw gefinancierd moet worden uit de buffers van het fonds en dus ten koste gaat van de indexatieruimte.

Overheid en De Nederlandsche Bank (DNB) lijken naar de toekomst toe vast te willen houden aan de risicovrije rente als maatstaf voor zowel de berekening van de pensioenverplichtingen als voor de premie. Deze tot nu toe starre houding van beide instanties is voor zowel de pensioenpremie als de pensioenverplichting onnodig voorzichtig en niet aanvaardbaar. Dit te meer daar de huidige rentevoet dagelijks kan wijzigen. Voor de financiƫle positie van het pensioenfonds is het noodzakelijk dat voor beide berekeningen de zelfde maatstaf zal gaan gelden. Maar daarnaast is het ook van groot belang dat die te hanteren maatstaf heel stabiel is. Anders is het uitgangspunt dat gestreefd wordt naar een pensioenuitkomst van tenminste 70% van het gemiddeld verdiende loon over de loopbaan niet realistisch.

De BPP is van mening dat er heel veel argumenten zijn aan te voeren dat in de te hanteren rekenmaatstaf tenminste meer rekening moet worden gehouden met een prudent ingeschat rendement. Nog belangrijker is echter de stabiliteit van de te kiezen maatstaf. Immers wanneer van jaar tot jaar, en in de praktijk zelfs van dag tot dag, de zeer beweeglijke (=volatiele) rente als uitgangspunt blijft gelden dan heb je ook voortdurend te maken met overheveling van jong naar oud (in geval van rentestijging) en van oud naar jong (bij rentedaling). En daar willen wij vanaf. Een vaste rente, waarvan het niveau door deskundigen steeds voor een periode van 5 - 10 jaren wordt bepaald lijkt een oplossing te kunnen zijn. Het geeft immers zowel de zo gewenste premiestabiliteit als ook een rechtvaardige maatstaf voor het berekenen van de verplichtingen en daarmee een gerede kans op indexatie.

Over de vraag welke rekenmaatstaf het meest rechtvaardig is verschillen de opvattingen.

Zelf komen wij tot het voorstel de rente steeds voor een periode van 5 jaren vast te stellen dan wel er een voortschrijdend gemiddelde va te maken. De wijze waarop die rente moet worden berekend is gebaseerd op een formule waarbij een aantal vaste parameters het uitgangspunt zijn. Voor een toelichting daarop verwijzen wij graag naar een afzonderlijke pagina.

Op basis van die parameters is op dit moment de uitkomst voor een fonds met een beleggingsmix van 60 procent aandelen en 40 procent vastrentende waarden 2,55%.
is de beleggingsmix 50/50 dan is de uitkomst van de formule 2,25%.

Aanvaarding van dit voorstel zou een stijging van de dekkingsgraad opleveren van tussen de 10 - 16 punten.